De historie van het Hinsz-orgel te Meeden van 1751 – 2006

door Wim Glasbergen

Dit orgel is ter eeren Godes gemaakt ter tijd als Wesselus Knock pastor, Tidde Syerts en Toncko Ayolts kerkvoogden deses carspels waren door A.A. Hins, Anno MDCCLI


Dit opschrift op de westelijke galerij (klunderbeune) werd ontdekt bij grondige restauratiewerkzaamheden aan het kerkgebouw op 15 februari 1934.
Hieruit blijkt dat het orgel oorspronkelijk gebouwd was voor de westgalerij.
Het werd gemaakt in 1751 door één van de bekendste orgelbouwers die Noord Nederland in de 18
e eeuw had n.l. de in Hamburg geboren Albertus Anthoni Hinsz (1704 – 1785). Hij was een leerling van de eveneens zeer bekende orgelbouwer Schnitger.

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           

 

In het ontvangsten- en uitgavenboek van de Kerkvoogdij staat vermeld, dat Hinsz voor de bouw van het orgel 751 gulden ontving en dat 150 gulden  aan van Buiren werd betaald voor een nieuwe orgelkast. Jammer is, dat beide contracten en bestekken verloren zijn gegaan, anders hadden ze van dienst kunnen zijn bij latere restauraties.
Hoewel het een nieuw orgel betrof, is in het orgel niet alleen pijpwerk verwerkt van Hinsz zelf, maar ook pijpen uit het vorige orgel uit 1643 van Sieborgh.
Op de pijpen zijn door de orgelbouwer de toonhoogte en de initialen van de orgelmaker gezet.
Het pijpwerk, dat vrijwel geheel authentiek en bewaard is gebleven, is geplaatst op 1 grote windlade.

 

                                                                                                                                                                                                                                                                  


Het orgel bestaande uit 1 klavier en aanhangend pedaal heeft bij de bouw in 1751 de navolgende stemmen:

Praestant       8 vt.     Quint          3 vt.
Quintadeen  16 vt.     Octaaf        2 vt.
Holfluit         8 vt.     Mixtuur      5 en 6 st. Geh.
Octaaf           4 vt.     Trompet     8 vt. Geh.
Speelfluit      4 vt

 

 

 

 

Na de bouw van het orgel in 1751 heeft A.A. Hinsz nog jaren het onderhoud gedaan voor de kerk van Meeden, want in 1759 wordt aan “A.A. Hins, orgelmaker, wegens arbeid aan ’t orgel” een bedrag van 10 gulden uitbetaald.
Het Hinsz-orgel onderging ook grote reparaties. In 1773 werd het orgel voor 145 gulden door Hinsz zelf gerepareerd. Dit zal ongetwijfeld noodzakelijk geweest zijn vanwege de pas voltooide interieurvernieuwing van de kerk. Tijdens de timmerwerkzaamheden was het orgel afgedekt me
t dekkleden.                                                                                                                                                                                                                                                                   
                                                                                                                                                                                                                            

 

 

                                                                                 

In 1788 volgden nog uitgebreide werkzaamheden door Frans Casper Schnitger junior en Heinrich Hermann Freytag voor 150 gulden. Deze twee heren hebben de werkzaamheden van de in 1785 overleden Hinsz overgenomen en voortgezet.
In 1801 wordt aan orgelbouwer Dirk Lohman 105 gulden betaald voor het repareren van het orgel. In de jaren 1797 tot en met 1802 zijn er grote uitgaven gedaan voor nieuwe kerkbanken, nieuwe preekstoel, schilderen van ’t kerkgewelf, een leuning en de orgelkast.
Vanaf 1804 – 1811 onderhoudt H.H. Freytag het orgel.
De firma H.D. en N.A, Lohman uit Assen neemt het onderhoud vanaf 1817 tot 1826 voor zijn rekening.
In 1818 heeft er een rigoureuze verandering van het interieur plaatsgevonden. Banken werden verplaatst, de preekstoel werd naar zijn huidige plaats aan de zuidkant gebracht terwijl het orgel door orgelbouwer N.A. Lohman van de westgalerij werd overgebracht naar de oostgalerij: dus naar het koor. Tegelijkertijd is aan de oostkant een deur gemaakt.
Deze wijziging is niet bij iedereen in goede aarde gevallen. De leden van de kerkenraad en kerkvoogdij, waarvan de zitplaatsen in het koor stonden, kwamen op de tocht te zitten. Als de wind uit het oosten blies, hadden zij het niet behaaglijk in een onverwarmde kerk, want er werd in die tijd nog niet gestookt.

Hoewel er voor het orgel omstreeks 1818/1820 geen bijzondere uitgaven te traceren zijn, kunnen we aannemen dat de kosten van overplaatsen zijn betaald uit vrijwillige bijdragen van de inwoners van Meeden.
Door N.A. Lohman werd in 1820 de Quintadeen 16 vt. door opschuiving gewijzigd in een Bourdon 16 vt., waarbij er een aantal houten pijpen in het orgel kwamen te staan.
Vanaf 1826 tot en met 1860 krijgt Hermann Eberthardt Freytag jaarlijkse betalingen voor onderhoud aan het orgel.
In 1855 wordt aan Freytag 168 gulden betaald “
voor herstelling van het orgel”, terwijl aan schilder J Veldhuis 52 gulden wordt betaald “ voor het verven en verlakken” van het orgel.
In 1869 werd prijsopgave gevraagd aan de orgelmakers Lohman (die het orgel in onderhoud had) en R. Meyer te Veendam, voor het herstellen van het orgel.
Het orgel bleek in slechte staat te zijn, gezien de bestekken van beide orgelbouwers. Pijpen waren gescheurd terwijl de “nieuwe” Bourdon 16 vt. het in de baskant niet deed.
Met een prijsverschil van 5 gulden werd het onderhoud gegund aan Meyer voor 75 gulden.
De restauratie werd door Roelof Meyer voltooid in 1870. Op een van de pijpen t.w. op de schalbeker C van de
Trompet 8 vt. graveerde hij de volgende tekst:

R. Meyer Veendam Aug. 1870 gerepareerd

Omstreeks 1901 werd hoogstwaarschijnlijk door W.K. Beukema de oorspronkelijke spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg met schepbalgen. Mogelijk is toen ook de tremulant verwijderd.
Omstreeks 1960 werd door de plaatselijke predikant J. Mosterd, de verhanging van het mechaniek in de ventielkast die in het verleden was uitgevoerd ( waardoor de toonhoogte was verlaagd) weer ongedaan gemaakt en werden er enkele reparaties uitgevoerd.
Orgelbouwer Flentrop uit Zaandam plaatste in de periode 1940 – 1945 een elektrische windmotor.
Op de borstwering van de orgelgalerij is naast de voorlezerslessenaar een gesneden opzetstuk met de afbeelding van drie blaasinstrumenten en een geopend muziekboekje.


 

Restauratieplan

Vanaf 1946 tot 2006 worden er door diverse instanties en adviseurs adviezen gegeven voor een totale restauratie van het in 1751 gebouwde Hinsz-orgel van de Nederlands Hervormde Kerk van Meeden. Allereerst brengt in 1946 de Nederlandsche Klokken-en Orgelraad rapport en advies uit met betrekking tot het orgel. Zij noemden het orgel “ geheel oorspronkelijk”.
In hun rapport doen zij een aantal voorstellen voor reparatie, die het orgel als het ware geheel op zijn kop zou zetten, waarbij de historische waarde van dit best bewaard gebleven werk van orgelmaker Hinsz uit het oog verloren wordt.
In het maandblad “Het Orgel” ontstaat er een felle pennenstrijd tussen L. Erné , Joh. Legêne en de N.K.O. hierover. Deze heren richtten zich in 1947 zelfs schriftelijk tot de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen om hun standpunten uiteen te zetten.
In 1950 brengt de Orgelcommissie van de Ned. Hervormde Kerk ( H.O.C.) een rapport over het orgel uit.
3 jaar later ( 1953) werd offerte aangevraagd bij de Fa. Flentrop te Zaandam en de firma Mense Ruiter te Groningen.
Door het niet met elkaar eens worden over de uitgebrachte offertes is het nooit tot een opdracht gekomen en heeft het nog tot 1958 geduurd voor er weer actie ondernomen werd.
In 1958 verschijnt er weer een rapport over het orgel van de H.O.C.. Nu door L. Erné en CH. Edskes.
Mense Ruiter valt af en Gebr. Van Vulpen te Utrecht wordt gevraagd om offerte te doen.
Dit wordt door Gebr. Van Vulpen nog een keer gedaan in de jaren 1960 en 1962. Tot een opdracht is het nooit gekomen.

                                                                                                                                                                                                                                                                                        In 1972 brengt de Haarlemse organist en orgeladviseur Klaas Bolt ( Appingedam 1927) in samenwerking met de Orgelcommissie van de Nederlands Hervormde Kerk een nieuw rapport uit.                      
De heer Bolt adviseert een integrale maar terughoudende restauratie. Zijn advies : “
Het instrument mag niet worden gewijzigd of aangevuld” Wel kan overwogen worden de Bourdon 16 vt. weer tot een Quintadeen 16vt. terug te schuiven.
Het moet helaas 15 jaar duren (1987) voordat er opnieuw een restauratieplan met kostenbegroting opgesteld zou worden.

 

Op zaterdag 4 februari 1989 bezochten enkele kerkenraadsleden, de orgelcommissie en enkel belangstellenden het door Flentrop Orgelbouw gerestaureerde orgel in de Hervormde Kerk te Beverwijk, het door de Gebroeders Van Vulpen gerestaureerde orgel in de Nieuwe Kerk te Haarlem en het door Henk van Eeken en Gert van Buuren gebouwde orgel in “De Koningshof” te Leusden. Zij brengen het unanieme advies uit om Van Eeken en Van Buuren de restauratie van het orgel uit te laten voeren. Dit advies wordt door de kerkvoogdij overgenomen en per brief van 8 maart 1989 werd de opdracht aan Henk van Eeken verleend. De Rijksdienst voor Monumentenzorg stelt in 1989 de subsidiabele restauratiekosten vast op basis van de begroting van Klaas Bolt.
Helaas overleed Klaas Bolt in 1990 op 63 jarige leeftijd en werd opgevolgd door adviseur Stef Tuinstra te Groningen. Die relatie hield stand tot 1995.
In overleg met de Orgelcommissie van de Nederlands Hervormde Kerk wordt organist en orgeldeskundige Jan Jongepier uit Leeuwarden benoemd tot adviseur.                                                                                                                                                               

 

 

 

Op basis van zijn begroting stelt de Rijksdienst voor Monumentenzorg op 10 mei 1996 de subsidiabele restauratiekosten opnieuw vast. Maar omdat de gemeente Menterwolde niet aangeeft ten laste van welke budgetjaren de restauratie van het orgel zal plaatsvinden, wordt er geen subsidie verleend.
Wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van Jan Jongepier in 2005 trekt hij zich terug als orgeladviseur. In mei 2006 wordt organist en orgeldeskundige Prof. Harald Vogel uit Osterholz-Scharmbeck, Duitsland, aangesteld als orgeladviseur.
Op 21 februari 2006 verlenen Burgemeester en Wethouders van Menterwolde, naar aanleiding van het positieve advies van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de gemeentelijke monumentencommissie, het College van Rentmeesters van de Hervormde Kerk een monumentenvergunning ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988 voor, de restauratie van het orgel. De uitvoering van de restauratiewerkzaamheden dient te geschieden overeenkomstig het plan van orgelmaker Henk van Eeken te Herwijnen d.d. juni 2005.

 

 

 

 

 

 

Eindelijk is er dan na 60 jaar touwtrekken een besluit genomen om dit zeer unieke en zeldzame orgel aan te pakken. Een instrument dat niet ten prooi is gevallen aan de zich wijzigende muzikale smaak van de negentiende en twintigste eeuw. Daardoor behoort dit orgel tot de belangrijkste historische orgels van Noordwest Europa en vertegenwoordigt het een grote cultuurhistorische waarde.
Naar aller waarschijnlijkheid is er in orgelland, voor een restauratie van een orgel, geen instrument geweest waar zoveel over geschreven en gesproken is als bij dit orgel van A.A. Hinsz.

 

 

 

 

 

Opschrift op de Westgalerij

 

Bronnen: Het Groninger Orgelbezit van Adorp tot Zijldijk , Frans Talstra.
Meeden, Geschiedenis van een Gronings dorp.
Klaas Bolt, Rapport betreffende het orgel in de Nederlands Hervormde Kerk te Meeden.
Prof dr. Harald Vogel, Rapport inzake het orgel in de Hervormde Kerk te Meeden